Wikia


Dag allemaal. Zoals je kunt zien aan de titel gaat deze fanfictie over 'Koning Kong', maar hier gaan we dieper in op zijn woonplaats, Schedeleiland.

King Kong: het Schedeleiland
Algemeen
Maker Vederklauw
Genre Avontuur, speculatieve fictie
Fandom King Kong
Leeftijd 12+

Hoofdstuk 1: Schedeleiland, een parel van Moeder Natuur Edit

Niets in de wetenschap is zo boeiend als het ontdekken van nieuwe fauna en flora. Al eeuwen is de wetenschap bezig zoveel mogelijk mysteries te ontrafelen. Vanaf het koloniale tijdperk tot het begin van de 20ste eeuw werden veel nieuwe eilanden ontdekt, elk met hun eigen eigenaardigheden. Maar van al die eilanden is er niet één zo eigenaardig als Schedeleiland. In dit boek gaan we dieper in op de ontdekking, de fauna en flora en ook de eeuwenoude beschavingen van dit majestueuze eiland. 

11 kong skullisland

OntdekkingEdit

Schedeleiland ligt voor een klein deel ter hoogte van Gabon en grotendeels ter hoogte van Angola, zo'n zeventig kilometer van de Afrikaanse westkust vandaan. De zee is hier uiterst ruw, waardoor er bijna voortdurend stormen zijn in het gebied. Tot het einde van de 19de eeuw had geen Westerling er ooit voet aan wal gezet, hoewel er al eeuwen geruchten gingen over het eiland. Dit is grotendeels te wijten aan verhalen over gigantische, prehistorische wezens en dat de plaatselijke bevolking voortdurend opgejaagd zou worden door deze wezens. In 1896 verdween er een Belgisch kolonistenschip niet ver voor de kust van Angola. Het schip zou naar Congo op weg zijn geweest, maar in een storm verzeild geraakt en gezonken zijn voor de stranden van Schedeleiland. De opvarenden, waaronder een jongen van amper tien, zouden de wildernis van het eiland zijn ingetrokken en geaccepteerd zijn door de lokale bevolking. In welke mate dit kan kloppen, is niet geweten. Het enige wat met zekerheid vaststaat is dat het schip verdween. Echter, de inboorlingen hebben tijdens één van de latere expedities een legende verteld, die gewag maakt van 'mensen met gouden haren'. Dit zou een teken kunnen zijn dat het kolonistenschip wel degelijk nabij Schedeleiland is gezonken en dat een aantal van de opvarenden het moet hebben overleefd. 

De eerste echte expeditie kwam er in 1933, toen de Engelsman Carl Denham en zijn bemanning op geruime afstand van het eiland het schip stopten om vervolgens met een aantal kleinere schepen naar het strand te varen. Onder deze bemanning vielen de Belgische ornitholoog Anton Derudder en Ann Deweire, die in Londen werkzaam was in een theater. Zodra de bemanning het strand bereikte, stond men meteen versteld van de glorie van het eiland. Denham beschreef het als volgt:

De bomen voorbij het strand rijzen op als reuzen. Verderop zie ik enorme klippen boven het water uitkomen. De zee bonkt en kolkt ertegen als een bezetene. Meeuwen en vele andere vogels laten zich op de wind meeglijden. En helemaal in de verte zie ik een enorme, beboste heuvel boven de bomen uittorenen. Wie weet wat voor wonders dit eiland verbergt?

De expeditie zou als volgt gaan: Denham en een deel van de bemanning zou door het eiland trekken en trachten het uiterste noordpunt te bereiken. Het andere deel van de bemanning zou op het moederschip blijven en naar de afgesproken plaats varen, om daar Denham en zijn crew op te wachten. Maar de expeditie was slecht voorbereid, mede omdat de crew van Denham deels uit Belgen en deels uit Engelsen bestond. Dit had als gevolg dat de mannen elkaar in de meeste gevallen niet begrepen. Ook zaaide Denham, al dan niet opzettelijk, weleens verdeeldheid onder zijn crew door de Engelse expeditieleden voorrang te geven als het aankwam op voedsel en water. Ornitholoog Derudder beschreef Denham als 'een ambitieuze, betweterige oproerkraaier die belust is op geld en aanzien'. Dit gevoel werd alleen nog maar versterkt toen de expeditieleider weigerde één van de Belgische crewleden te helpen nadat deze in een kloof was gevallen. Ann, die ook deel uitmaakte van de crew en tweetalig was, was vaak degene die spanningen in de groep verlichtte. In veel gevallen functioneerde ze ook als tolk. Maar waar geen enkel lid van de groep zich op had kunnen voorbereiden, waren de vele gevaren die Schedeleiland verborgen hield. Het ene na het andere crewlid sneuvelde, gedood door de dieren die er woonden of vergiftigd na het eten van een verkeerde plant. Uiteindelijk wisten slechts 13 van de 30 crewleden, waaronder Derudder en Ann, het noordpunt van het eiland te bereiken. Ook Denham overleefde het uiteindelijk niet.

De overlevenden werden in zowel België als het Verenigd Koninkrijk als helden onthaald. Het meeste beeldmateriaal was inmiddels al verloren gegaan. Het enige wat nog restte waren enkele foto's van de enorme stranden en een foto van een reuzenschilpad. Echter waren er wel talloze beschrijvingen van de unieke fauna, alsook van de inboorlingen. Later volgden er nog expedities, die beter voorbereid waren. Helaas vielen ook onder deze bemanningen vele slachtoffers. De oorspronkelijke crew van 1933 gaf aan niet meer naar Schedeleiland terug te willen gaan.


Geologie en merkwaardige biotopenEdit

Zoals eerder vermeld, ligt Schedeleiland ter hoogte van Gabon en Angola, zo'n zeventig kilometer van de westkust van Afrika vandaan. Door vele koude golfstromingen die er botsen met warme stromingen, zijn er vaak stormen in het gebied. De zee is ook zeer diep. Vele schepen zijn al gezonken toen ze in een storm verzeild raakten. Voor een groot deel van de noordkust rijzen enorme rotsen op uit het water, waartegen schepen makkelijk te pletter slaan. Er zijn ook een aantal reusachtige kliffen langs de kust, waar ieder jaar honderden zeevogels hun kuikens grootbrengen. Schedeleiland ligt op een zeer stabiel gedeelte van het aardoppervlak, waardoor aardbevingen er maar zeer zelden voorkomen. Er zijn echter aanwijzingen dat het eiland ooit twee keer zo groot was, maar dat een gedeelte in de zee verdwenen moet zijn. Waarschijnlijk is dit gebeurd aan het einde van het Krijt, toen een meteoriet op de aarde insloeg. Immense aardbevingen en tsunami's kunnen ertoe geleid hebben dat Schedeleiland in oppervlak verminderde. Desondanks vindt men er nog tot op de dag van vandaag uiterst merkwaardige natuur. 

Het centrum van Schedeleiland bestaat vooral uit grasland, waar planteneters van verschillende soorten grazen. Dwergolifanten en herten zijn hier algemeen aanwezig. In dit gedeelte bevinden er zich ook een groot aantal meren, die de thuis vormen van moerasvogels en otters die in sommige gevallen wel twee meter lang kunnen worden. Rondom deze vlakte bestaat Schedeleiland hoofzakelijk uit bos, met af en toe een stuk moerasgrond. De Tempelberg bevindt zich enige kilometers van de noordkust van het eiland. De Tempelberg is in feite geen berg maar een heel hoge, beboste helling met op de top, zoals de naam al zegt, een tempel. Aan de voet van de helling liggen twee meren die gescheiden worden door een door mensen aangelegd pad. Dit pad loopt naar een reusachtige trap die de helling opgaat, recht naar de tempel. Dit gebouw is, naar men vermoedt, zeker 1700 jaar oud en er zijn tekenen dat er vroeger mensen rond woonden. Waarvoor de tempel diende en hoe men hier leefde, is niet geweten. Het enige wat vaststaat is dat de inwoners van Schedeleiland van deze tempel afweten, maar er vrijwel nooit komen. Aan weerskanten van de Tempelberg liggen twee bergpieken, de hoogste punten van het eiland. De vele grotten in deze bergen bieden onderdak aan vleerhonden, grothagedissen en slangen.

De stranden van schedeleiland bedriegen enigszins. De vredige uitzicht en het goudgele zand maken dat het er veilig uitziet, maar niets is minder waar. Overdag komen er vaak reuzenvaranen naar de stranden om er naar aangespoelde zeedieren te zoeken. 's Nachts komen gevlekte leeuwen naar deze stranden met hetzelfde doel. Ook reuzenbijtschildpadden komen hier soms, maar zij zoeken naar aangespoeld zeewier om aan hun behoefte aan zout te voorzien. De stranden strekken zich over vrijwel de gehele west- en noordkust uit. Een paar schaarse stroken vindt men ook langs de oostkust. Sommige, minder makkelijk bereikbare delen worden bewoond door zeerobben, die op de talrijke vissen in de zee komen jagen. De zuidelijke kustlijn is veel ruwer en bestaat vooral uit klippen van soms wel vijftig meter hoog. Hier komen jaarlijks veel zeevogels naartoe, zoals alken en meeuwen.


Een verloren beschavingEdit

Tot nu toe heeft nog geen enkele wetenschapper kunnen achterhalen wanneer de mens Schedeleiland precies bereikte. De enige aanwijzing is de Tempelberg, die doet vermoeden dat de mens zo'n tweeduizend jaar geleden Schedeleiland bereikt moet hebben. Tegenwoordig leeft er op heel het eiland nog maar één stam. Deze stam heeft zich gevestigd in een kleine stad aan de ooskust van het eiland. De woningen zijn in feite hutten, opgetrokken uit riet en hout, verstevigd met modder. De hutten zijn omringd door een grote muur, die aan de buitenkant verstevigd wordt met vlijmscherp geslepen staken, waarschijnlijk om wilde dieren buiten te houden.

De levensomstandigheden zijn erg primitief. Jonge, fitte mannen gebruiken zelfgemaakte wapens en gaan in de jungle naar voedsel zoeken.  Ze eten voornamelijk plantaardig voedsel, maar af en toe doden ze weleens een dier. Ze gaan voornamelijk bij zonsopgang en in de schemering op pad, als het koeler is en de reuzenvaranen minder actief zijn. De wapens die ze vervaardigen worden vooral gebruikt als verdediging, en niet om prooien te doden. Vrouwen en kinderen blijven binnen de veilige omringing van de muur en helpen allerlei werktuigen te maken zoals kleren, rieten manden en aarden potten.

Er is één ding waarmee deze stam zich onderscheidt van alle andere op Aarde. Wanneer ze op pad gaan, smeren de mannen zich in met een soort zelfgemaakte verf. De inwoners van Schedeleiland zijn specialisten op dit vlak. Iedere ochtend als de mannen gaan jagen, zorgen ze ervoor dat ze er precies zo uitzien als een boomstam of de aarde op de grond. Op deze manier slagen ze erin als het ware te versmelten met hun omgeving, en roofdieren te ontlopen. Het blijkt een zeer efficiënte truc te zijn, want de verf neemt niet alleen hun kleur weg, maar maskeert ook hun geur. En dat blijkt nodig te zijn, want op Schedeleiland lopen er veel dieren rond die zich agressief gedragen jegens mensen. Ondanks de vele gevaren redt deze stam zich prima. Ze leven in harmonie met hun omgeving en hun rituelen en tradities worden nu al meer dan duizend jaar van generatie op generatie doorgegeven. 

Er zijn aanwijzingen dat er ooit nog een stam was op het eiland, die in het westen leefde. Van deze stam zijn slechts een paar stenen speerpunten, werktuigen en verschillende skeletten overgebleven. Gezien de locatie waar deze artefacten gevonden zijn, is het niet waarschijnlijk dat deze stam ooit in verbinding stond met de mensen in het oosten. Of er een verband is tussen de huidige inwoners en de bouwers van de Tempelberg, is tot op heden toe niet bekend. 

Skull Island Giant Apes

Hoofdstuk 2: fauna Edit

Schedeleiland zonderde zich ongeveer 75 miljoen jaar geleden af van het Afrikaanse vasteland, laat in de Krijt-periode. Destijds bevolkten dinosaurussen het eiland nog, en wie weet welke unieke vormen ze ter plekke hadden kunnen aannemen. Helaas, een aantal miljoenen jaren nadat Schedeleiland zich afzonderde, sloeg een grote meteoriet in, hetgeen het einde van de dinosaurussen veroorzaakte. Maar deze globale catastrofe zou niet de enige zijn waarmee Schedeleiland af te rekenen kreeg. Als direct gevolg van de inslag vonden verscheidene zeer hevige aardbevingen plaats, die het eiland met 46 procent deden krimpen. Desondanks is Schedeleiland nog steeds een groot eiland te noemen. Door miljoenen jaren van isolement heeft de fauna zich hier op unieke wijze ontwikkelt. Landbruggen verbonden met het vasteland kwamen en gingen, en zo kreeg de fauna de kans om uit te breiden. Meestal waren het grote zoogdieren die op deze manier het eiland bereikten. Hieronder nemen we verschillende levensvormen van Schedeleiland onder de loep, van de grootste tot de kleinste. 


ZoogdierenEdit

Gevlekte leeuw: De gevlekte leeuw is, in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, geen echte leeuw. Ze hebben dezelfde lichaamsbouw als leeuwen en zijn ongeveer even groot, maar met een gevlekte vacht. De vlekken zijn echter veel bleker en minder duidelijk te zien dan die van een luipaard. Ook hebben de mannelijke exemplaren geen manen. Deze katachtige leeft in paren. Een mannetje en een vrouwtje die tezamen hun jongen grootbrengen. Ze jagen voornamelijk op de herten, dwergbuffels en dwergolifanten van het eiland. Maar ze zijn ook tevreden met vogels en reptielen. De oorsprong van deze soort is een mysterie. Sommigen speculeren dat in het verleden zowel leeuwen als luipaarden over de landbruggen naar het eiland zijn getrokken. Maar omdat ze met zeer weinig waren, zouden ze zijn gaan kruisen. Anderen zeggen dan weer dat het om een gemeenschappelijke voorouder van de twee katachtigen gaat. 

Gevlekte leeuwen

Dwergolifant: Eén van de bizarste wezens op Schedeleiland is de kleine olifantensoort die hier voorkomt. Ze leven in kleine kuddes van ongeveer tien dieren, bestaande uit vrouwtjes en kalfjes. In tegenstelling tot bij de meeste andere olifantensoorten, brengen de mannetjes veel tijd door bij de kudde. Deze olifanten bereiken een schofthoogte van een meter tachtig. Ze voeden zich voornamelijk met de planten en vruchten op het eiland. Hun grootste vijanden zijn de reuzenvaranen en de leeuwen. Deze olifanten hebben slechts kleine slagtanden. Ze zijn vreedzaam, maar als ze worden bedreigd kunnen ze zeer agressief worden. 

Schedeleilandrat: Deze dofgekleurde ratten die een meter lang kunnen worden van neus tot staart, zijn zeer behendig en experts in het klimmen in de bomen. Ze brengen zeer weinig tijd op de grond door, waarschijnlijk om roofdieren te mijden. Soms gebeurt het al eens dat jongere exemplaren te lang op de grond blijven en ten prooi vallen aan de grote duizendpoot, die een halve meter wordt. De rat kan echter meerdere nesten per jaar krijgen. De rittens worden grootgebracht in een boomholte tot ze oud genoeg zijn om te leren klimmen. Een typisch kenmerk van deze rat zijn de voorste knaagtanden, die speciaal gebouw zijn om boomschors weg te knagen. Hierdoor kunnen ze bij het vocht komen dat zich in de bomen opstapelt. En dat is ook nodig. Omdat ze zich zo zelden op de grond wagen, kunnen ze niet drinken van bronnen op de bosbodem. Waar deze rat de schors wegbijt om bij het vocht te komen, komen ook veel kleinere dieren om te drinken, zoals kleine vogels. De rat wisselt zeer vaak van boom en gebruikt zelden dezelfde boom meerdere keren. 

Megazostrodon: Dit kleine zoogdiertje, dat tot vijftien centimeter lang wordt, stamt nog uit de tijd van de dinosaurussen en is sindsdien amper veranderd. Kenmerkend zijn de typische lange vingers, grote ogen en kleine oortjes. Alles bij elkaar doet Megazostrodon enigszins aan een spitsmuis denken, maar met langere ledematen. Over hun levenswijze is niet veel geweten, maar men vermoedt dat ze, net als spitsmuizen, vooral 's nachts op pad gaan. Dan zoeken ze naar insecten en andere kleine ongewervelde dieren. Het zijn felle nachtdieren die zich agressief verdedigen tegen belagers zoals de duizendpoot Calictis. Ondanks het feit dat deze laatstgenoemde twee keer langer kan worden, schijnt Megazostrodon zich goed tegen hem te kunnen verweren. 

Leptictidium: De Leptictidium van Schedeleiland is de laatste soort van zijn orde, de Leptictida. In het Eoceen was deze orde algemeen verspreid, maar toen de tropische regenwouden van het Eoceen begonnen in te krimpen, slaagde de Leptictidium er niet in zich aan het veranderende klimaat aan te passen. Maar Schedeleiland lag in die tijd al heel lang afgelegen, en de jungles zijn er sindsdien nooit verdwenen. De Leptictidium heeft wat weg van een spitsmuis, maar wordt ongeveer zeventig centimeter. Ze heeft grote oren, een lange staart en haar achterpoten zijn ontwikkeld om te springen, een beetje zoals bij kangoeroes. Hun grootste wapen tegen roofdieren is de snelheid waarmee ze zich door de ondergroei voortbewegen. Maar om snelheid te maken, moeten ze steevast bepaalde paden rond hun hol vrij houden. Verschillende andere dieren schijnen daar dankbaar gebruik van te maken. 

Roodhalsotter: Deze ottersoort heeft, zoals de naam al doet vermoeden, een kleine rode vlek op de hals. Waarvoor deze dient, is niet duidelijk. De roodhalsotter wordt even lang als de otters op het Afrikaanse vasteland. Ongeveer anderhalve meter dus. In de meren en stromen van Schedeleiland jagen ze op vissen en rivierkreeften. Maar kikkers en jonge vogels gaan er ook altijd wel in. De soort leeft het grootste gedeelte van het jaar solitair. Zodra een mannetje een vrouwtje heeft gevonden, keren ze ieder jaar, als het paartijd is, naar elkaar terug. Na een aantal keer gepaard te hebben vertrekt het mannetje weer. Hoewel ze elkaar dus maar één keer per jaar tolereren en het mannetje niet helpt bij de opvoeding van de welpen, blijven ze wel trouw aan elkaar. Er is heden ten dage nog discussie of deze otter meer verwant is aan de Europese of aan de Afrikaanse otters. 

Schedeleilandhert: De herten van Schedeleiland hebben ongeveer dezelfde grootte als de hun verwanten die in Noord-Afrika leven. Ze hebben een donkerbruine vacht met witte stippen en de mannetjes hebben een gewei. Ze brengen hun levens zowel op de vlakten als in de jungles van Schedeleiland door. Het zijn kampioenen in obstakels ontwijken om aan gevaar te ontsnappen. Ook schijnen ze intelligenter te zijn dan de meeste andere herten. Ze leven in groepen die kunnen variëren van grootte. De kalveren komen in dicht struikgewas in de jungle ter wereld. Net zoals bij andere herten hebben de kalveren de eerste dagen van hun leven geen geur, zodat ze moeilijker te vinden zijn voor roofdieren. Hun belangrijkste predatoren zijn de gevlekte leeuw en de reuzenvaraan. 

Oorrobben: De oorrobben van Schedeleiland zijn vrijwel hetzelfde als degene die op de stranden van het Afrikaanse vasteland leven. Ze vertonen dezelfde levenswijze en verschillen nauwelijks in grootte en gewicht. Het staat wel vast dat het om een andere ondersoort gaat. Schedeleiland is gelegen op een plaats waar koude en warme zeestromingen elkaar raken, met als gevolg dat er hier veel voedingsstoffen zijn. Dit heeft een rijke zee vol leven tot gevolg, en daar profiteren de oorrobben van. Gedurende een paar maanden per jaar settelen ze zich op de stranden langs de noord- en westkust om er hun jongen te baren. De robben verkiezen moeilijker bereikbare delen, waar ze veiliger zijn voor roofdieren. De kleintjes kunnen al na een paar weken goed zwemmmen. Als ze eenmaal zelfstandig zijn, brengen ze de eerste jaren van hun leven door op zee. 

Dwergbuffel: De term dwergbuffel is niet helemaal correct, aangezien deze wilde runderen qua grootte weinig verschillen van de woudbuffels op het Afrikaanse vasteland. Kuddes bestaan altijd uit een volwassen stier, een aantal koeien en de kalveren. Ze foerageren graag in de moerasgebieden van het eiland, maar ze brengen liefst zo veel mogelijk tijd door in de beschutting van bomen en struiken. Daar voelen ze zich veiliger. De gevlekte leeuw en de reuzenvaraan zijn hun belangrijkste predatoren, maar de buffels weten zich te verweren met hun gewicht en hun hoorns. Opvallend is dat op de binnenmuren van de Tempelberg tekeningen van deze runderen terug te vinden zijn, een indicatie dat ze misschien een bepaalde betekenis hadden voor de oorspronkelijke inwoners van het eiland.

Vleermuizen: Op Schedeleiland zijn er twee soorten vleermuizen geregistreerd. Beide soorten verblijven in de grotten van het eiland. Je kunt ze makkelijk onderscheiden in grootte, want de ene soort wordt twee keer groter dan de andere. De grotere vleermuis is bleekbruin van kleur terwijl de kleinere soort grijszwart van kleur is. Hun levenswijzen verschillen slechts op een paar punten van elkaar. Wanneer de zon ondergaat, vliegen beide soorten tegelijkertijd uit. De grotere soort gaat vooral op zoek naar fruit en planten die 's nachts in bloei staan. De kleinere soort jaagt op insecten zoals motten en is ook iets algemener. Zolang ze in de grotten bivakkeren zijn ze veilig voor roofdieren. Maar het kan al eens gebeuren dat, wanneer ze uitvliegen, er slangen bij de mond van de grot op de loer liggen. Voor de rest hebben de vleermuizen door hun geringe gestalte en nachtelijke levenswijze maar weinig vijanden. 


ReptielenEdit

Reuzenvaraan: De reuzenvaranen van Schedeleiland staan bekend om hun dodelijke precisie als het op jagen aankomt. Ze kunnen urenlang wachten in een hinderlaag tot er een prooi voorbijkomt, maar ze kunnen ook de achtervolging inzetten en veertig kilometer per uur behalen. Hun tanden zijn zeer klein en haakvormig, zodat hun prooi maar moeilijk kan ontsnappen uit hun greep. Met hun staart kunnen ze klappen uitdelen die de ruggengraat van een paard doet breken. Ze worden wel zes meter lang en worden daarmee nog groter dan de Komodovaraan. In elke expeditie op Schedeleiland, werden een aantal crewleden door deze ontzagwekkende hagedissen gedood. Ze zijn zeer fel tegenover mensen en kogels hebben geen effect op ze. Daar komt nog eens bij dat de reuzenvaraan zich op de schedel richt om kleinere prooien te doden. Ondanks deze angstaanjagende reputatie is deze varaan niet zo monsterachtig als ze lijkt. In veel gevallen begon men op de varaan te schieten, waardoor deze zich bedreigd voelde en aanviel. Een expeditie uit 1953 getuigde zelfs hoe twee varanen elkaar verzorgden, zonder acht te slaan op de expeditieleden. Desondanks blijft de reuzenvaraan één van de meest angstaanjagende en dodelijkst bevonden dieren ter wereld. 

Strandschildpad: Deze schildpad heeft veel weg van de Amerikaanse alligatorschildpad, maar wordt groter. Een afbeelding van deze soort is de enige die nog rest van de expeditie van 1933, die zo rampzalig afliep. De strandschildpad dankt zijn naam aan het feit dat hij, als het koeler wordt, zich vaak op de stranden van Schedeleiland begeeft. Dan eet hij vooral aangespoeld zeewier, dat veel natrium uit de zee bevat. Zodra het volledig donker is, foerageren ze meestal in de jungle. Ze zien er indrukwekkend uit, maar ze vallen alleen aan als ze zich bedreigd voelen. De inboorlingen van Schedeleiland gaan voor hem aan de kant; maar ze vrezen hem niet. Hij eet immers alleen planten.

Grothagedis: Deze hagedissensoort leeft in de vele grotten van Schedeleiland, vooral in de grotten van de bergpieken die de Tempelberg flankeren. De grothagedis eet voornamelijk insecten, die in grote getale op de vleermuizenmest die op de grotvloer ligt afkomen. Sommige van deze insecten leven permanent in de grot, andere komen er af en toe in. De grothagedis verlaat zijn grotten maar om twee redenen. Ofwel om een nieuwe grot te vinden, wat trouwens maar zeer zelden gebeurt, of om zijn eieren te leggen. Wanneer de tijd gekomen is, trekken bevruchte vrouwtjeshagedissen de grot uit om ergens in de aarde tussen de bomen hun eieren te leggen. Dit doen ze altijd 's nachts. De jonge hagedissen weten, eens uitgekomen, instinctief welke kant ze op moeten om in de grot te komen. Grothagedissen moeten hun hele leven op hun tast en gehoororgaan vertrouwen; ze zijn immers blind. 

Schedelhagedis: Deze hagedissensoort wordt ongeveer even groot als de grothagedis en is, naar verluidt, het diertje waaraan Schedeleiland haar naam dankt. De kop van deze hagedis bestaat uit één enkele schub, die zeer glad en zeer wit is. De ogen zijn volledig zwart. Alles bij elkaar doet dit enorm aan een schedel denken. Voor de rest is deze hagedis vaalgrijs. Tijdens de expeditie van 1953, werd één van deze hagedissen meegenomen naar Belgisch grondgebied; het beestje leefde nog zeker drie jaar en had in die tijd veel bekijks. De schedelhagedis leeft vrij algemeen in de jungles en graslanden vann Schedeleiland en eet ook voornamelijk insecten. Intussen zijn er ook schedelhagedissen ontdekt die volledig grijs zijn, zonder de karakteristieke witte kop. Men vermoedt dat het hierbij om juveniele hagedissen gaat, die de witte kop nog niet hebben. 

Roodoogskink: Deze skink, die anderhalve meter lang wordt, dankt zijn naam aan de typische rode cirkel rond zijn ogen. Voor de rest heeft hij een fraai vlekkenpatroon van lichte en donkere vlekken, die waarschijnlijk als camouflage dienen. Het is een goedmoedig reptiel. Hij klimt vrijwel nooit en eet vrijwel alleen bloemen en vruchten. Meestal gaat hij op pad tijdens de schemering en bij de eerste uren van de dag. Een opvallend kenmerk is dat deze skink het vermogen heeft ontwikkeld zelf zijn temperatuur te regelen. Dit zorgt ervoor dat hij naar eten kan zoeken wanneer andere hagedissen en slangen nog moeten opwarmen in de zon. Deze eigen temperatuuregeling wordt echter maar gedurende een aantal uren gebruikt. Wanneer de zon hoog genoeg staat en de andere reptielen actief worden, neemt de roodoogskink weer de temperatuur van zijn omgeving aan. Deze hagedis leeft in paartjes. Een mannetje en vrouwtje blijven vaak heel lang samen. Ze zoeken elk hun eigen eten, maar delen wel altijd hetzelfde hol. 

Gorgodon: Dit gepantserde reptiel heeft veel weg van een krokodil, maar is veel forser gebouwd en heeft een veel kortere snuit. Hij is verwant aan krokodillen, maar vertoont een afwijkende levenswijze. Ze voelen zich net zo thuis op het land als in het water, zolang het er maar vochtig is. Ze kunnen zich kilometers van het water verwijderen, maar dat doen ze niet vaak. Hun jachtstrategie is wel hetzelfde als die van de krokodillen. In een hinderlaag afwachten tot er een onoplettende prooi voorbijkomt. Ze zijn zowel overdag als 's nachts actief. Het is vooralsnog niet geweten of de zorg voor de jongen overeenkomt dan wel niet verschilt van die van de krokodillen. Sommigen denken dat de jongen uitkomen en opgroeien in dichte delen van de jungle, grotendeels buiten het bereik van volwassen dieren die hen zouden willen opeten. Anderen denken dan weer dat de moeder voor haar kroost zorgt tot ze oud genoeg zijn om op eigen benen te staan, net zoals bij de echte krokodillen. 

Bijtslang: Deze slang is fel oranje van kleur en kan wel anderhalve meter lang worden. De oranje schubben helpen deze slang zich te camoufleren tussen kleurrijke bloemen, waar dikwijls kleine zoogdieren en vogels op afkomen. Dan ligt de slang in hinderlaag, geduldig afwachtend tot er een slachtoffer te dichtbij komt. Hinderlaag is echter niet haar dodelijkste wapen. Dat is namelijk haar gif, dat krachtig genoeg is om 6 volwassen mannen te doden. Als er tijdens de expedities iemand gebeten werd, stierf diegene voor er twee uren gepasseerd waren. Een tegengif is er niet. De bijtslang is, zoals alle slangen, erg schuw en zal altijd proberen te vluchten. Maar haar geweldige camouflage tussen de bloemen, en de aantrekkingskracht van deze laatste op expeditieleden, heeft er meermaals toe geleid dat er iemand per ongeluk op een slang stapte en dus werd gebeten. Wie een bijtslang zonder het te beseffen in een hoek drijft, heeft dus meestal brute pech. 

Witte mamba: De witte mamba is vernoemd naar het feit dat deze slang, naarmate ze ouder wordt, witter kleurt. Zolang ze jong is, heeft ze de bladgroene kleur van de meer bekende groene mamba. De witte mamba heeft zich gespecialiseerd in het jagen op vogels. Des te opvallender is het dat ze zelden eieren van vogels rooft. Zoogdieren staan meestal niet op haar menu, maar ze vangt er nu zo en dan wel één. De witte mamba is een uitstekende klimmer die geruisloos tussen de takken door kan glijden zonder enig geluid te maken, zowel 's nachts als overdag. Net als de eerder genoemde groene mamba en de zwarte mamba is deze slang extreem giftig. Hoewel haar gif nog krachtiger lijkt te zijn dan dat van de bijtslang, heeft ze veel minder slachtoffers onder expeditieleden op haar naam staan. Dit komt waarschijnlijk doordat ze vrijwel haar hele leven in de boomtoppen doorbrengt, ver buiten het bereik van mensen.

Bladvlieger: Dit is zonder twijfel één van de bizarste schepsels van de planeet. De bladvlieger is in feite een hagedis. Tussen zijn poten heeft hij tere vleugels, waarmee hij zich door de lucht voortbeweegt. In volle vlucht lijkt hij misschien wel een vliegend draakje, maar daar houdt de gelijkenis ook wel mee op. De vleugels van de bladvlieger strekken zich van poot tot poot uit. Ook is deze hagedis veel groter, zo'n 50 centimeter lang. In zijn bek heeft hij twee rijen kleine maar vlijmscherpe tanden. Het is een aaseter die zich voedt met de kadavers van andere dieren. Zijn tanden zijn uitermate geschikt om vlees van een kadaver te scheuren. Levende wezens laat hij met rust, ook al kan hij ze met gemak aan. De naam bladvlieger dankt hij aan zijn geweldige camouflage. Door zich onderstoven in een boom te hangen en zijn groengele vleugels om zich heen te vouwen, valt hij nauwelijks op tussen het dichte bladerdak van de jungle.

Kameleons: Er leven zo'n vier soorten kameleons op Schedeleiland, waaronder de vijftig centimeter lange reuzenkameleon en de dwergkameleon, die vier keer kleiner wordt. Geen van allen verschillen ze erg van de kameleons op het vasteland. Ze verplaatsen zich allemaal door de boomkruinen en eten insecten, gebruik makend van hun zeer lange tong. Alle vier de soorten kunnen van kleur veranderen en doen dat ook vaak, behalve de middelgrote Argarthakameleon. Deze soort kan alleen maar verschillende tinten van groen aannemen, van lichtgroen tot blauwgroen. De vierde soort is de driehoornkameleon, die ook algemeen op het Afrikaanse vasteland voorkomt.


AmfibieënEdit

Schedeleiland-boomkikkers: Schedeleiland vertelt verschillende soorten boomkikkers. Slechts enkele van hen zijn al nader onderzocht. Men neemt aan dat er zo'n 17 verschillende soorten zijn, waarvan er naar vijf grondig onderzoek is gedaan. De opvallendste is misschien wel de vlierboomkikker, die 15 centimeter lang wordt en dezelfde rode kleur heeft als het sap van vlierbessen. Een andere soort, de gele boomkikker, is een stuk kleiner en verbergt zich vooral op verdorde bladeren, die vaak dezelfde kleur hebben als de kikker. Men neemt aan dat alle soorten eens per jaar samenkomen om te paren. Waarschijnlijk worden de eitjes op een blad dat vlak boven een stilstaand wateroppervlak gelegd, zoals andere kikkers ook doen. Wanneer de dikkopjes volgroeid zijn, wriemelen ze zich vrij uit de dril en springen zo in het water.

Davidskikker: De Davidskikker is vernoemd naar Rudi Davids, één van de crewleden van de expeditie uit 1933. Davids was slechts 16 toen hij tijdens deze expeditie overleed. Zijn precieze doodsoorzaak is nooit bekend geraakt. In ieder geval is de Davidskikker een zeer unieke soort. Om te beginnen kan hij zo groot worden als een soepbord. Zijn buik is vaalgeel, zijn rug olijfgroen met witte vlekken. Hij is niet giftig, maar hij heeft een ander middel waarmee hij zich fel tegen belagers verdedigd: agressie. Deze kikker begint meteen dreigend te kwaken als hij zich bedreigd voelt. Als dat niet helpt, zet hij de aanval in. Hiermee jaagt hij soms predatoren weg die anderhalve keer zo groot zijn als hijzelf. Bij de Davidskikker is het de vader die voor de eitjes zorgt totdat ze zijn uitgekomen. In die tijd bewaakt hij ze angstvallig tegen alles wat in de buurt durft te komen. En dat is nodig. Aangezien Davidskikkers veel minder eieren leggen dan de meeste andere soorten, kunnen ze het zich niet veroorloven er te verliezen. Niet alle dikkopjes overleven het, maar wel genoeg om de soort voort te zetten.

Lavasalamander: Deze salamander komt voor in twee kleurslagen: vuurrood en felblauw. In beide gevallen is het een waarschuwingskleur voor predatoren. En met reden, want deze salamander is extreem giftig. Vrijwel elk klein roofdier dat de salamander opeet, sterft binnen een paar uur. Daarom kan deze kleine amfibie meestal ongestoord zijn gang gaan. Ze verkiezen rustige beekjes en meren om in te foerageren en hun eieren te leggen. Soms liggen ze uren op een steen aan de oever te zonnen. Ze eten voornamelijk muggen en libellen die rond het water vliegen, maar dikkopjes lusten ze ook. 


VogelsEdit

Schedeleilandmoa: De moa's vormen een geslacht van reusachtige loopvogels die niet kunnen vliegen. De grootste soorten konden wel drie meter hoog worden. De moa op Schedeleiland wordt meer dan twee en een halve meter hoog. De kop en snavel zijn zeer smal, wat hem helpt bij het zoeken naar bessen en ander fruit tussen doorntakken. Deze vleugelloze vogel met grijs verenpak, ziet er op het eerste gezich weerloos uit. Hij kan niet erg snel lopen en zijn poten zijn niet gemaakt om belagers een goede trap te verkopen. Maar deze vogel heeft een geheim wapen. Een kwart van zijn dieet bestaat uit peperbessen, bloedrode bessen die de meeste dieren mijden vanwege het extreem hete vruchtvlees. Maar de moa is speciaal aangepast om deze bessen te verteren. Tijdens de vertering komen er vaak hete gassen vrij, die neus en keel doen prikken. Als dat niet voldoende is om roofdieren af te schrikken, heeft de moa nog een truc. Hij kan namelijk halfverteerde peperbessen weer uitbraken en hij mikt op zijn belagers met een buitengewone precisie. De pulp van de bessen verspreidt een onaangename stank en straalt hitte uit. En alsof dat nog niet erg genoeg is, kan de pulp ook voor irritatie zorgen aan de ogen of andere gevoelige lichaamsdelen. Dit verdedingsmechanisme hebben de moa's hard nodig, want ze leggen maar een paar eieren per keer. 

Kleine zilverreiger: De kleine zilverreiger komt ook algemeen voor in de rest van Afrika en in Europa. Op Schedeleiland broeden ze, net als in de rest van hun verspreidingsgebied, het liefst in moerassen waar ze jagen op vissen en amfibieën. Ze liften graag mee op de rug van dwergolifanten en woudbuffels, en eten de parasieten die diens huid leven. Ze foerageren altijd in groep, zodat ze veiliger zijn voor roofdieren. Hun nesten bouwen ze in hoge bomen die in het moeras groeien, ver buiten het bereik van belagers. Maar het kan wel eens gebeuren dat er een jong in het water valt, waar het een makkelijke prooi is voor bijvoorbeeld de Gorgodon. Buiten het broedseizoen trekken de zilverreigers van moeras naar moeras, zonder lang op dezelfde plek te blijven.

Schedeleiland-hoornraaf: Deze hoornraaf is zonder twijfel een zeer bizar wezen. Hij heeft veel weg van de hoornraven op het vasteland, maar zien er toch anders uit. Om te beginnen is hun omvang twee keer groter dan die van hun neven op het vasteland. Ook hebben ze lange maar stevige poten. Ze kunnen met gemak anderhalve meter hoog worden, het mannetje iets groter dan het vrouwtje. Beide geslachten hebben een grote keelzak en een kam op hun hoofd, die bij het mannetje iets groter zijn. De keelzak en de kam zijn rood gekleurd met blauwe vlekken. Het verenkleed van deze vogel is grijszwart met een lichtere onderkant. Het is voornamelijk een aaseter, die samen met bladvliegers concurreert over de restjes die grotere roofdieren hebben achtergelaten.

Roofpapegaai: Met zijn overwegend grijze verenkleed ziet deze papagaai er veel somberder uit dan zijn kleurrijkere verwanten. Ook heeft hij een spitsere snavel en is zijn hoofd zogoed als kaal. De roofpapegaai dankt zijn naam aan het feit dat hij graag van kadavers eet, maar ze hebben ook een heel aparte gewoonte. Soms vliegen ze naar de stranden van Schedeleiland, op zoek naar schelpdieren die nog in hun huis zitten. Hun intelligentie helpt hen bij het verzinnen van technieken om de schaal te breken. De meest voorkomende truc is de schelp vanop een grote hoogte op een scherpe rots te laten vallen. Ornitholoog Anton Derudder beschreef deze vogel als 'afschrikwekkend', en niet zonder reden. 

Witte ara: De witte ara is net iets groter dan de hierboven genoemde roofpapegaai. In tegenstelling tot deze laatste is dit een vreedzamen vogel die zich voedt met vruchten. Eén probleem: de vruchten waar deze ara zich voornamelijk mee voedt zitten vol gif. Dit heeft verminderde concurrentie tot gevolg, maar heeft er ook toe geleid dat de ara's naar een oplossing moesten zoeken voor het probleem. En die vonden ze ook. Meerdere keren per week strijken de ara's neer op open plekken in het bos, waar de bodem vol belangrijke mineralen zit die het gif helpen neutraliseren. Er is altijd één ara die de wacht houdt. De wacht wordt regelmatig afgewisseld, zodat iedere vogel de kans krijgt wat mineralen naar binnen te krijgen. Andere dieren, zoals herten en dwergbuffels, hebben de mineralen veel minder nodig, maar maken dankbaar gebruik van het alarmsysteem van de ara's om ook een graantje mee te pikken. De witte ara is ook enorm belangrijk voor de bomen waarvan hij de vruchten opeet, omdat hij één van de weinige dieren is die hun zaden door het woud kan verspreiden. 

Vleugelloze ral: In tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden, heeft deze ral wel degelijk vleugels. Ze zijn echter zo klein dat ze nauwelijks opvallen. Wel waar is dat deze vogel niet of nauwelijks vliegt. Ze brengen hun hele leven door in moerasgebieden, waar ze jagen op kleine vissen en insecten. Maden zijn een festijn. Het mannetje is volledig zwart met een rode snavel en rode poten, het vrouwtje is bruin van kleur, zodat ze niet opvalt als ze op het nest zit. Het mannetje helpt niet mee bij het uitbroeden van de eieren, maar houdt wel nauwlettend de omgeving rond het nest in de gaten en brengt het vrouwtje ook eten. 

Klauwvogel: De klauwvogel is zonder meer de oudste vogelsoort op schedeleiland en vertoont nog opvallend veel eigenschappen met de vogels uit de tijd van de dinosaurussen. Zijn verenklaad is vaak goudbruin met een meer kleurrijke keel. In de bek staan twee rijen met piepkleine tandjes en aan de vleugeltoppen zijn er ook kleine klauwen te vinden. Waarvoor deze klauwen dienen, is nog niet duidelijk. Sommigen zeggen dat de mannetjes hen gebruiken om te vechten, volgens anderen dienen ze om zich tegen roofdieren te verdedigen. De functie voor de kuikens daarentegen staat vast. Als er een kuiken uit het nest valt, kan het zelfstandig weer naar boven klimmen door gebruik te maken van die klauwtjes. De klauwvogel is genetisch waarschijnlijk het meest verwant aan de stinkvogel, die in Zuid-Amerika leeft. 

Reuzenhavik: Ondanks zijn naam is het nog niet zeker aan welke roofvogel deze soort het meest verwant is. De reuzenhavik kan een spanwijdte van wel 1,80 meter bereiken en is daarmee de grootste roofvogel op Schedeleiland. Zijn dieet bestaat voornamelijk uit andere vogels, maar hij gaat ook wel achter kleine zoogdieren aan. Aas eten doen ze zelden. De reuzenhavik heeft hoge, oude bomen nodig om zijn nest in te maken. Er wordt dan ook flink gewedijverd over territoria en de beste jachtgronden. Gevechten worden altijd in de lucht geleverd. Over het algemeen zijn het de vrouwtjes die vechten. Ze zijn groter en agressiever dan de mannetjes. Beide geslachten wisselen elkaar af tijdens het broeden en brengen meestal één, soms twee kuikens groot. De kuikens zijn na ongeveer 8 maanden klaar om het nest te verlaten. 

Schedeleiland slangenarend: Deze roofvogel is ongeveer twee keer kleiner dan de reuzenhavik en jaagt voornamelijk, zoals de naam al zegt, op slangen. Maar af en toe durft ze haar neus weleens in een wespennest te steken. Letterlijk dan. Haar kop is smal genoeg om makkelijk in een bijen- of wespennest te dringen en daar een aantal voedzame larven mee te pikken. De slangenarend zoekt vaak in een groep naar prooien, maar delen doen ze niet. Behalve met hun partner. De broedtijd bij deze roofvogel is aanzienlijk korter dan die van de reuzenhavik. De jongen kunnen na drie maanden al vliegen en nog een maand later zijn ze zelfstandig. Ook brengt de slangenarend meer jongen groot dan de reuzenhavik. De ouders verdedigen het nest fel tegen eender welke bedreiging. Alles wat ook maar in de buurt durft te vliegen, wordt onmiddellijk weggejaagd. 

Blauwborstkraai: De blauwborstkraai is een stuk kleiner dan een gewone kraai, is ranker gebouwd en heeft, zoals de naam al zegt, een blauwe borst. Net zoals andere kraaiachtigen is de blauwborstkraai erg intelligent en is hij in staat gereedschap te gebruiken om bijvoorbeeld insectenlarven uit gaten in boomstammen te peuteren. Verder eet deze vogel vooral zaden. Ze trekken het liefst op in groepen die wel uit dertig vogels kunnen bestaan. Hun roep klinkt als een snerpend kriee-ie en kan een paar honderd meter verder nog te horen zijn. De blauwborstkraai is een algemene prooi voor reuzenhaviken en andere predatoren, wat ook meteen de hoofdreden is dat ze in groep leven. Zo zijn ze veiliger. Zowel het mannetje als het vrouwtje bezitten de karakteristieke blauwe borst waarnaar ze vernoemd zijn. 

Petrusvogel: Dit kleine vogeltje dat vernoemd is naar de apostel Petrus, heeft een zeer typisch verenkleed. De kop en de bovenkant zijn helder blauw, de buik is donkerrood en de slagpennen zijn oranje. De poten en de snavel zijn zwart. De Petrusvogel staat erom bekend bijna nooit te zingen. In plaats daarvan gebruikt het zijn opvallende kleuren om te communiceren met soortgenoten, al is dat meestal met zijn partner. Dan gaat hij op een goed zichtbaar plekje zitten, slaat het met zijn vleugeltjes en huppelt in het rond. De Petrusvogel heeft een heel arsenaal aan bewegingen en passen om allerlei signalen door te geven. De kuikens worden grootgebracht in een komvormig nest, bij voorkeur goed beschut tussen grote bladeren. Overigens is dit één van de weinige vogels op Schedeleiland die niets van de reuzenhavik te vrezen heeft. De Petrusvogel is in verhouding namelijk zo klein dat de reuzenhavik nauwelijks de moeite zou nemen achter hem aan te gaan. 

Witbandstormvogel: Deze stormvogel nestelt op de kliffen die men voornamelijk terugvindt aan de zuid- en westkust van het eiland. De nesten zijn meestal maar karig bekleed, niet meer dan wat droog zeewier of wat pluimen van de ouders. Soms wordt het ei zelfs gewoon op de rots gelegd. De eieren zijn langwerpig, zodat ze niet van de rotsen afglijden. De witbandstormvogel was al bekend lang voor de eerste expeditie naar Schedeleiland. Kolonisten die naar Congo en andere Afrikaanse landen voeren zagen hem vaak rondvliegen, maar het bleef lang een mysterie waar deze vogels broedden. De witbandstormvogel is helemaal zwart met een horizontale witte streep op zijn rug. De onderkant van de snavel is opvallend oranje. 

Davidsstormvogel: Ook dit wezen is vernoemd naar Rudi Davids, die, zoals eerder vermeld, één van de velen was die de expeditie in 1933 niet overleefde. De Davidsstormvogel is iets groter dan de witbandstormvogel. Zijn verenkleed is bijna volledig wit met een donkerbruine tot zwartbruine rug. In het broedseizoen verzamelt deze stormvogel in grote getale op de kliffen van het eiland. Meestal brengen ze twee kuikens groot. Juveniele exemplaren zijn nog zwart. Pas rond hun tweede levensjaar, als ze geslachtsrijp zijn, worden ze wit. Alleen de rug blijft donkerder. Deze vogel is ongeveer rond dezelfde tijd als de witbandstormvogel voor het eerst gezien. Beide soorten hebben waarschijnlijk een gemeenschappelijke voorouder en kunnen honderden kilometers van de kust vandaan vliegen, op zoek naar voedsel. 

Blauwe meeuw: De blauwe meeuw is allicht de fraaiste onder de meeuwen. De kop en de onderzijde zijn witgrijs, maar de vleugels zijn blauw. Waarschijnlijk is dit een vorm van camouflage. Roofvogels van bovenaf zien de meeuw minder goed, daar de blauwe bovenzijde versmelt met het blauwe water van de oceaan. Vissen van onderaf zien de witte onderkant van de meeuw, waardoor ze waarschijnlijk denken dat het om een wolk gaan. De blauwe meeuw jaagt vaak zelf op vissen en krill, maar ze stelen ook. Als een stormvogel vis heeft gevangen, gebeurt het weleens dat een groep blauwe meeuwen zijn krachten bundelt en de stormvogel net zo lang lastigvalt tot deze zijn buit opgeeft. Het broedgedrag verschilt ook van die van de stormvogels. In plaats van op de rotsen, nestelen ze bij voorkeur in spelonken en ruimtes tussen de rotsen. De kliffen zijn onbereikbaar voor de meeste roofdieren, maar de meeuwen nemen blijkbaar zo min mogelijk risico. 

VissenEdit

Afrikaanse longvis: Algemeen in de moerassen van het Afrikaanse vasteland, heeft de longvis ook in de moerassen en stromen van Schedeleiland een thuis gevonden. Deze ondersoort is sinds de tijd van de dinosaurussen amper veranderd. Longvissen hebben het speciale talent om zuurstof uit de lucht te kunnen halen, waardoor ze ook in zeer zuurstofarm water kunnen overleven. Als er een droge tijd aanbreekt, graaft de longvis zich in in de modder en wikkelt vervolgens een beschermende cocon om zich heen. Zodoende kunnen ze maandenlang liggen slapen, wachtend op betere tijden. Op Schedeleiland gebeurt het wel dat er een beek opdroogt of dat een vijver begint in te krimpen. Dan kan de longvis zijn gaven hier goed gebruiken. De longvis is een hinderlaagjager, die in de beschutting van waterplanten en dergelijke wacht tot er een onoplettende prooi voorbijkomt. Longvissen zwemmen al heel erg lang rond op aarde; de oudste fossielen dateren van wel 400 miljoen jaar terug. 

Bloedwing: Dit visje is gelukkig heel wat onschuldiger dan zijn naam zou kunnen doen vermoeden. Bloedwingen zijn inderdaad zo rood als bloed, waarschijnlijk om rivalen te intimideren en een partner voor zich te winnen. Ze hebben een bijzondere manier om zich te voeden. Iedere dag vliegen er vele insecten over het water, zoals muggen en vliegen. Met zijn ongewoon krachtige staart kan de bloedwing zichzelf uit het water, de lucht in lanceren, om zo vliegende insecten te pakken te krijgen. Het is geen al te sociale vis. Ze zoeken liever in hun eentje naar voedsel. Maar ze komen eens per jaar in grote getale samen om te paaien. Dan is hun rode kleur het felst en van hoog belang voor de voortplanting. Jonge vissen zijn vaak nog oranjekleurig tot geel. 

Schedeleilandforel: Deze forellensoort trekt op in scholen van ongeveer twintig tot vijfentwintig dieren. Ze verkiezen breed, stromend water, al willen ze zich weleens in een meer wagen. Dit heeft vooral te maken met hun dieet. De forel eet voornamelijk vruchten en noten die uit de bomen in het water vallen. Soms gebeurt het dat vogels of andere klimmende dieren wat laten vallen, en andere keren valt het voedsel gewoon zelf uit de bomen. Maar de Schedeleilandforel heeft nog een trucje. Ze kan zich, net als de bloedwing, uit het water lanceren, maar dan om vruchten en noten te pakken te krijgen. En insecten eten ze af en toe ook wel. Deze levenswijze komt nagenoeg overeen met die van de tandzalm uit Zuid-Amerika. Deze vis volgt namelijk apen in de bomen op de oevers, in de hoop dat ze iets naar beneden laten vallen. 

Zwarte meerval: De zwarte meerval is de meest geduchte vis in de wateren van Schedeleiland. Met zijn lengte van wel anderhalve meter eet hij alles wat in zijn bek past. Van kleinere vissen tot jonge vogels. Ook waterslakken en rivierkreeften lust hij wel. De zwarte meerval leeft voornamelijk solitair. Alleen jongere exemplaren verenigen zich weleens tot een groep. Dit meestal om zichzelf te beschermen tegen volwassen exemplaren en predatoren. Eens volwassen, gaat iedere meerval zijn eigen gang. Ze zijn beslist de sterkste onder de vissen op dit eiland, maar ook zij hebben vijanden. Hun belangrijkste vijand is de roodhalsotter, die het gelukkig meestal op kleinere vissen voorzien heeft. Maar soms leven deze twee rivalen ongewoon vreedzaam samen. Er is zelfs een melding gemaakt van een vrouwtjesotter die met haar jongen in een plas vol meervallen zwom zonder dat er bij beide partijen opschudding ontstond. 

Bijtvis: Dit is, net als de longvis, een zeer oude vissensoort, die stamt uit de tijd van de dinosaurussen. Hij leeft vooral in troebel water. De schubben zijn bruin van kleur, zodat hij nauwelijks opvalt tussen de bladeren op de bodem. De bijtvis heeft een zeer lang, gestroomlijnd lichaam. De kop is in verhouding tot het lichaam echter enorm. Een rugvin en achtervinnen heeft deze vis niet, en de voorvinnen zijn zeer klein. De zwarte meerval is dan wel de sterkste vis van Schedeleiland, maar de bijtvis is zonder meer de meest gruwelijke. Het is namelijk een vampiervis, die het bloed van andere vissen drinkt. Een beetje zoals de lamprei. Maar in tegenstelling tot de lamprei heeft de bijtvis geen zuignap op zijn mond om zich aan andere vissen vast te hechten. In plaats daarvan bijt hij zich letterlijk vast in zijn slachtoffer. Gedurende een paar minuten drinkt hij bloed, tot hij weer loslaat. De gewonde vis overleeft dit gelukkig meestal wel en herstelt ook van zijn verwondingen. 

InsectenEdit

De insecten van Schedeleiland vormen een categorie apart. Zoals we al eerder vermeldden, leven er op Schedeleiland vele kleine insectensoorten. Hieronder vallen onder andere muggen, mieren, vliegen, libellen, waterjuffers en vele soorten kevers. De veldstudies op Schedeleiland zijn altijd te gevaarlijk gebleken om deze soorten goed te kunnen bestuderen. Dit is meteen ook de reden waarom sommige lijsten van soorten incompleet zijn. Desondanks hebben we toch een aantal zeer noemenswaardige soorten die we hier kunnen vermelden. 

Calictis: De reuzenduizendpoot wordt hij ook wel genoemd, en met reden. Calictis kan wel een halve meter lang worden, en zijn gif is zeer krachtig. Hij gaat 's nachts op pad en maakt voornamelijk jacht op kleine zoogdieren, vogels of amfibieën. Hij spoort zijn prooi op met behulp van de twee voelsprieten op zijn kop, zijn reukorgaan. Zodra hij een prooi in het vizier heeft, gaat hij alsmaar langzamer, tot hij dichtbij genoeg is. Als de prooi tenslotte binnen bereik is, slaat hij toe. De aanwezigheid van calictis is meteen ook de reden waarom de Schedeleilandrat gedurende zijn leven vrijwel nooit aan de grond komt en zich liever door de takken verplaatst. De reuzenduizendpoot klimt niet in bomen en gaat liever achter prooien aan die even groot of kleiner zijn dan hijzelf. 

Glansschorpioen: Deze schorpioenensoort valt op door de blauwgroene glans op zijn zwarte schubben. Zijn steken zijn niet giftig genoeg om mensen te doden, maar men kan er wel een lelijke infectie aan overhouden. Zoals alle schorpioenensoorten is ook de glansschorpioen vooral 's nachts actief. Maar in tegenstelling tot de meeste andere schorpioenen raadpleegt deze zijn giftige stekelstaart vrijwel alleen in gevallen van nood. Hij gebruikt liever zijn krachtige kaken en grote scharen om zijn prooi te doden. 

Schedeleilandmier: Verspreid over het eiland vindt men mierenhopen die wel twee meter hoog kunnen worden. Deze stevige forten vormen de thuisbasis voor bruine mieren die ongeveer een centimeter lang worden en in kolonies van duizenden exemplaren leven. De hele dag zijn de werksters druk in de weer met het verzamelen van bladeren en rottend plantenmateriaal, dat ze naar het nest brengen. Het bijzondere hieraan is dat de mieren in staat zijn al het plantenmateriaal zelf af te breken, iets wat andere mierensoorten niet kunnen. Het nest wordt dag en nacht fel verdedigd. Er zijn maar weinig roofdieren die proberen in te breken in het nest, maar de mieren kunnen wel belaagd worden tijdens hun zoektochten naar voedsel. Eens per jaar stijgen er uit de mieren hopen overal op het eiland duizenden tot tienduizenden gevleugelde mieren op, hetgeen voor een prachtig spektakel zorgt. De jonge mieren hebben veel vijanden en de meeste worden nooit volwassen. Maar er blijven er altijd voldoende over om nieuwe kolonies te stichten en de soort voort te zetten. 


Megaprematorius KongEdit

Het meest bekende dier van Schedeleiland, en één van de meest tot de verbeelding sprekende dieren ter wereld. Deze gigantische primaten leven in groep en gelden voor de inboorlingen al duizenden jaren als hun beschermers. Ze zien eruit als gorilla's, maar dan veel groter. Met een formidabele zes meter hoog en het vermogen duizenden kilo's op te tillen, is de Megaprematorius Kong, of kortweg kong, de onbetwiste koning van Schedeleiland. 

Ecologie en gedragEdit

De oorsprong van de kong is al sinds zijn ontdekking gehuld in mysteries. Wetenschappers vermoeden dat de reuzenprimaat een afstammeling is van dezelfde soort waar ook gorilla's en chimpansees van afstammen. Fossielen van deze gemeenschappelijke voorouder zijn gevonden op het Afrikaanse vasteland. Men denkt tevens dat de voorouders van de kong ten tijde van de voorlaatste landbrug die in verbinding stond met Schedeleiland, zo'n drie miljoen jaar geleden, naar het eiland zijn overgestoken. Sindsdien is deze primaat in grootte enorm toegenomen. De hoofdreden hiervoor is waarschijnlijk om zich te wapenen tegen de reuzenvaraan, die het eiland al veel langer bevolkt. De vrouwtjes worden ongeveer vier meter hoog, terwijl de mannetjes wel zes meter hoog kunnen worden. Naast hun grootte beschikken deze primaten ook over een enorme spierkracht. Wetenschappers vermoeden dat het voor hen geen probleem zou zijn een vrouwelijke savanneolifant op te tillen. De kong kan zeer agressief zijn als hij zijn soortgenoten verdedigd. Dat is ook nodig, want reuzenvaranen en gevlekte leeuwen vormen een constante bedreiging voor de jongen.

De kong is genetisch gezien het meest verwant aan gorilla's en leeft in groepen. Over hun groepsgedrag is niet veel geweten, maar men vermoedt dat ze ongeveer dezelfde sociale structuur hebben als andere sociale mensapen. Wel staat vast dat hun groepen lang niet zo groot zijn als bij gorilla's of chimpansees. Wat zeker is, is dat een groep bestaat uit een volwassen mannetje, een paar vrouwtjes en hun jongen. De jongen verlaten als ze geslachtsrijp zijn de groep. Vrouwtjes zullen aansluiting zoeken, terwijl mannetjes, eens ze oud en sterk genoeg zijn, een ander dominant mannetje zullen uitdagen voor het leiderschap. De kong is een intelligente apensoort, en sociaal contact is cruciaal voor hun ontwikkeling en voor hun mentale gezondheid. Ook wordt geschat dat de soort meer dan honderd jaar oud kan worden. Dat was toch het geval bij Kong, de bekendste van zijn soort. 


DieetEdit

De kong is een vegetariër. Hij voedt zich uitsluitend met planten, noten, bladeren en fruit. Hij is één van de weinige dieren die met gemak een reuzenmango kan openbreken. Ook lijkt hij verzot te zijn op paddestoelen. De kong brengt een groot deel van de dag door met foerageren, maar uit recent onderzoek blijkt dat hij lang niet zoveel voedsel nodig heeft als voorheen werd gedacht. Hun metabolisme werkt traag, veel trager dan die van andere mensapen. Hierdoor kunnen ze veel langer op een goede maaltijd teren, waardoor er meer tijd overblijft voor rondtrekken in het territorium en om vijanden op een afstand te houden. Zonder dit vertraagd metabolisme zou de kong veel meer moeten eten om op krachten te blijven. 


Koning KongEdit

Dit was het eerste exemplaar waar de wereld ooit van te horen kreeg. Denhams expeditie maakte voor het eerst kennis met Kong vlak nadat Ann, het enige vrouwelijke lid van de crew, van de groep gescheiden was geraakt. Na een tijd op zoek te zijn geweest vond de crew haar, maar ze werd ongewoon agressief verdedigd door een mannelijke reuzenprimaat, die de naam Kong kreeg. Meerdere pogingen Ann terug te krijgen haalden niets uit. Toen de expeditie in het dorp van de inboorlingen onderdak kreeg, kregen ze te horen dat Kong de oudste en de sterkste van zijn soort was, en ook één van de laatste. Hij werd door hen vereerd als hun beschermer. Door de jaren heen zijn verschillende afbeeldingen van Kong vrijgegeven. Daarop is te zien dat hij een gebroken kaak had, en dat zijn lichaam vele littekens vertoonde van vroegere gevechten. 

Maar Kong was een uitzonderlijk exemplaar van zijn soort. Afgaande op de verhalen van de inboorlingen, kan worden vastgesteld dat hij voornamelijk alleen ronddoolde en zelden het gezelschap van soortgenoten opzocht. Ook was hij zeven meter, net iets groter dan andere mannetjes van zijn soort. Toen Denham Ann als verloren beschouwde en de groep verder dwong, moet Kong hen achterna zijn gekomen. Want op het moment dat de crew, waarvan de meeste leden al gestorven waren, de Tempelberg bereikte, haalde Kong hen in. Zonder iets te ondernemen liet hij Ann teruggaan naar de doodsbenauwde bemanningsleden. Het is tot nu onduidelijk waarom Kong haar zo fel had verdedigd, en haar vervolgens toch liet teruggaan naar haar eigen soort. Volgens Ann was het een vorm van empathie, de drang om een levend wezen te beschermen en in veiligheid te brengen. Steeds meer wetenschappers raken het hierover eens. Tijdens de volgende expedities werd Kong telkens weer teruggezien.

Echter, in 1953, tijdens de vijfde expeditie naar Schedeleiland, trof Hans Derudder, zoon van Anton en Ann, het skelet van een reuzenprimaat aan op het eiland. Eén van de kaken was duidelijk gebroken. De botten vertoonden diverse breuken die na verloop van tijd weer genezen waren. Het skelet was zo'n zeven meter lang. Na de nodige afbeeldingen genomen te hebben en die te hebben vergeleken met oudere foto's, concludeerde men dat dit Kong geweest moest zijn. Een heupbeen werd naar België verscheept. Na een grondige analyse kwam aan het licht dat Kong minstens 140 jaar oud moest zijn geweest bij zijn overlijden. 


HerontdekkingEdit

Afgaande op Kongs solitaire gedrag en het feit dat er geen andere leden van zijn soort werden waargenomen, ging men ervan uit dat hij mogelijk de laatste van zijn soort was. Toen in 1953 bekend raakte dat Kong naar alle waarschijnlijkheid dood was, werd dan ook aangenomen dat de reuzenprimaat was uitgestorven. Hans wilde echter niet opgeven en was vastbesloten deze theorie te ontkrachten. Het zou echter tien jaar duren tot hij weer de kans kreeg om koers te zetten naar Schedeleiland. Het zuiden en zuidwesten van het eiland was tot dan toe grotendeels onontdekt. Dit is dan ook waar Hans zijn zoektocht startte. Zoals gebruikelijk vielen er doden onder de crew, en de zoektocht was hard. Even zag het er naar uit dat Hans geen overlevende kongs zou aantreffen.

Maar op 7 januari 1963 vond hij wat hij zocht: een groep levende kongs, bestaande uit zeven dieren. Een volwassen mannetje, drie vrouwtjes, twee oudere jongen en een kleiner jong. Één van de vrouwtjes, zo getuigt men, kwam zelfs dichter bij de expeditieleden om hen van naderbij te bestuderen. De beelden die van de familie werden genomen werden pas na enige tijd bekendgemaakt, maar gingen vanaf toen de wereld rond.

De kong werd van de lijst met uitgestorven dieren geschrapt. Hoewel het vast staat dat deze primaat nooit erg talrijk was, lijkt het erop dat de populatie om de één of andere reden gedecimeerd is. Ziekte en gebrek aan voedsel zijn mogelijke oorzaken. Hoewel er verder geen meer gezien werden, vonden Hans en zijn team aanwijzingen dat er nog andere kleine groepen op het eiland leven. Wetenschappers hebben er goede hoop op dat Kongs familie, wat het ook was dat hun aantal parten speelde, zich langzaam maar zeker aan het herstellen is. Mede daardoor staat de koning van Schedeleiland niet langer bekend als uitgestorven, maar wel nog steeds als ernstig bedreigd.


Na 1933Edit

Na de expeditie van 1933 zijn er nog 7 expedities naar Schedeleiland geweest. Hoewel deze beter voorbereid waren dan de eerste, was de dodentol steeds extreem hoog. Slechts een deel van de slachtoffers was toe te schrijven aan (onbewust uitgelokte) aanvallen door reuzenvaranen, zo'n dertien personen. Het lijkt er meer op dat andere factoren zoals uitputting, tropische ziektes, verhongering en het eten van giftige planten een beslissende rol hebben gespeeld. Tijdens de eerste expeditie werd één van de crewleden door een gevlekte leeuw gedood nadat deze laatste door de eerste in zijn poot was geschoten. 

Anton Derudder en Ann Deweire vestigden zich na hun avontuur in Londen, waar ze huwden en begin 1934 een zoon kregen, genaamd Hans. Hij zou degene zijn die zelf twee expedities naar Schedeleiland ondernam en de Megaprematorius Kong zou herontdekken. Zijn ouders keerden in 1939 nog eenmaal naar Schedeleiland terug. Anton had een jongere neef, genaamd Jimmy Derudder. Deze was bevriend met Rudi Davids, die al genoemd is. Beide jongens waren zestien jaar oud en werden door zowel Anton als door Denham niet toegestaan aan de expeditie deel te nemen. Ze slaagden er echter toch in als verstekeling mee te komen. Rudi zou de expeditie niet overleven, tot grote spijt van zijn vriend. Later vernoemde Jimmy de Davidskikker en de Davidsstormvogel naar zijn gestorven vriend. 

Toen bleek dat de kong niet uitgestorven was, werd het voorstel gelanceerd Schedeleiland tot een beschermd gebied te maken. Dat leidde tot veel discussie. Sommigen waren zelfs van mening dat de wezens van Schedeleiland uitgeroeid moesten worden. Dit werd gelukkig meteen in de wind geslagen en in 1976 werd Schedeleiland officieel een beschermd gebied. Dit maakte ook meteen een einde aan de discussie of dit eiland aan Groot-Brittanië dan wel aan België toebehoorde. De laatste echte expeditie vond plaats in 2003. Heden ten dage gaat er regelmatig nog een team van wetenschappers richting Schedeleiland om er zeker van te zijn dat zowel de fauna als de inboorlingen er nog steeds ongestoord leven. Echte veldstudies worden er niet meer gehouden. 

Zowel België als Groot-Brittanië hebben de voorbije eeuw vele wetenschappers naar deze levende legende gezonden om haar geheimen te ontrafelen. Maar lang niet alle geheimen zijn ontdekt en het staat vast dat een groot deel voorgoed geheim zal blijven. Wat voor gevolgen de klimaatverandering voor Schedeleiland zal hebben, is nog niet helemaal duidelijk. Maar door de stabiele ligging en het feit dat de Westerse wereld zich er waarschijnlijk nooit zal vestigen, ziet het ernaar uit dat de kong en zijn medebewoners nog lang een onverstoord leven zullen kunnen leiden. Eén ding is zeker: Schedeleiland is een levende legende, een plaats die tot de verbeelding spreekt. En menigen hebben hun leven verloren in een poging haar geheimen te ontrafelen. 

Jimmy, de laatste overlevende van de expeditie van 1933, overleed op 16 januari 2001 op 84-jarige leeftijd. 


Exclusive-world-of-ikongi-1s 1129921089